De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 4: Wil mij, wanneer ik roep, verhoren
Vers 1
Wil mij, wanneer ik roep, verhoren,
O God, die mijne rechtzaak redt,
Gij hebt in angst mij hulp beschoren,
En mij doen gaan in ruime sporen;
Betoon genâ; hoor mijn gebed.
Wat moogt gij, mannen, toch beginnen?
Zal steeds tot schande zijn mijn eer?
Zult gij dan d’ijdelheid beminnen;
En t’enemaal beroofd van zinnen,
De leugen zoeken, keer op keer?
Vers 2
Herinnert u, gij roekelozen,
Dat zich de HEER’ een gunstgenoot
Heeft afgezonderd en verkozen,
Hij doet mij nooit van schaamte blozen,
Die, als ik riep, mij bijstand bood,
Zijt gij beroerd, ontsteld, verlegen,
Zo zondigt niet; verzaakt uw wil;
Spreekt in uw hart; herdenkt uw wegen,
Op ’t eenzaam bedde neergezegen;
En weest in all’ ontmoeting stil.
Vers 3
Dan zult gij recht naar ’t outer treden,
En off’ren God een rein gemoed,
Het offer der gerechtigheden,
En ’t zuiv’re reukwerk der gebeden;
Betrouwt op Hem, want Hij is goed.
Daar velen twijfelmoedig vragen;
„Wie zal ons ’t goede toch doen zien?”
Doe Gij, o HEER’, na ’t angstig klagen,
Ons ’t lieflijk licht Uws aanschijns dagen,
En wil Uw rijke gunst ons biên.
Vers 4
Gij hebt m’in ’t hart meer vreugd gegeven,
Dan and’ren smaken in een tijd,
Als zij, door aards geluk verheven,
Bij koorn en most wellustig leven,
In hunnen overvloed verblijd,
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord ter neer;
Want Gij alleen, mijn schild en wapen,
Schoon ’t onheil schijnt voor mij geschapen,
Zult mij doen zeker wonen, HEER’.