De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 126: Wanneer de HEER’, uit ’s vijands macht
Vers 1
Wanneer de HEER’, uit ’s vijands macht,
’t Gevangen Sion wederbracht,
En dat verlost’ uit nood en pijn,
Scheen ’t ons een blijde droom te zijn.
Wij lachten, juichten; onze tongen
Verhieven ’s HEEREN Naam en zongen.
Toen hieven zelfs de heid’nen aan:
„De HEER’ heeft hun wat groots gedaan.”
Vers 2
God heeft bij ons wat groots verricht;
Hij zelf heeft onzen druk verlicht;
Hij heeft door wond’ren ons bevrijd;
Dies juichen wij, en zijn verblijd.
Breng, HEER’, al Uw gevangnen weder;
Zie verder op Uw erfvolk neder;
Verkwik het, als de watervloed,
Die ’t zuiderland herleven doet.
Vers 3
Die hier bedrukt met tranen zaait,
Zal juichen, als hij vruchten maait;
Die ’t zaad draagt, dat men zaaien zal,
Gaat wenend voort, en zaait het al;
Maar hij zal, zonder ramp te schromen,
Eerlang met blijdschap wederkomen,
En met gejuich, te goeder uur
Zijn schoven dragen in de schuur.