De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 20: Dat op uw klacht de hemel scheure
Vers 1
Dat op uw klacht de hemel scheure;
Dat zich de HEER’ ontdekk’!
De God van vader Jakob beure
U in een hoog vertrek.
Hij doe in gunstrijk welbehagen,
Uit Sions tempelzalen,
Om u te helpen en te schragen,
Zijn zegen nederdalen.
Vers 2
Hij will’ uw offerspijz’ gedenken;
De hemelvlam verteer’,
Wat g’op het brandaltaar zult schenken,
Tot ’s Allerhoogsten eer.
Hij geev’ u, naar uw wens, t’ontvangen,
Geluk in al uw daden,
Zijn gunst bestier’ naar uw verlangen
Al wat gij moogt beraden.
Vers 3
Dan zal ’t gejuich ten hemel dringen,
Dan zullen wij Gods eer,
Bij opgestoken vaandels, zingen.
Uw wens vervull’ de HEER’,
’k Weet nu, dat Gods gezalfden Koning
Geen heilgoed zal ontbreken,
Want God zal, uit Zijn hemelwoning
Hem sterken op zijn smeken.
Vers 4
Op wagens, paarden, en op helden,
Zij onze vijand stout;
Wij zullen d’eer en grootheid melden
Van God, die ons behoudt!
Zij zijn gekromd, ter neer gestoten,
Van moed beroofd en krachten;
Maar wij, wij hebben ’t heil genoten,
Waarop ons God deed wachten.
Vers 5
Behoud, o HEER’, wil bijstand zenden,
Verlos, bewaar, verschoon.
Die Koning hoor’, als w’in ellenden
Aanbidden voor Zijn troon.