De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 125: Hij zal noch wanklen, noch bezwijken
Vers 1
Hij zal noch wanklen, noch bezwijken,
Die op den HEER’ vertrouwt,
En op Zijn goedheid bouwt;
Hij zal, als Sions berg, nooit wijken,
Wiens grondslag door geen aards vermogen
Ooit wordt bewogen.
Vers 2
Gelijk ’t gebergt’, dat, hoog gerezen,
Om Salem ligt gespreid,
Zo is, in eeuwigheid,
De HEER’ rondom hen, die Hem vrezen;
Rondom Zijn volk, ’t welk Hij wil hoeden
Voor tegenspoeden.
Vers 3
Want hoe de bozen zich doen schromen
Door wrede heerschappij,
Nog zal hun dwinglandij
Niet rusten op het lot der vromen,
Opdat zij nooit, van ’t recht geweken,
Zichzelven wreken.
Vers 4
Geef, HEER’, den goeden Uwen zegen;
Doe wel aan ’t vroom gemoed;
Maar hem, die onrecht doet,
En die zich neigt tot kromme wegen,
Zal God verdoen; doch Isrel leven
En vrede geven.