De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 113: Gij ’s HEEREN knechten, looft den HEER’
Vers 1
Gij ’s HEEREN knechten, looft den HEER’;
Looft Zijnen Naam, verbreidt Zijn eer;
De Naam des HEEREN zij geprezen!
Zijn roem zij door ’t heelal verbreid,
Van nu tot in all’ eeuwigheid;
Men loov’ ’t aanbidd’lijk Opperwezen.
Vers 2
Van waar de zon in ’t oosten straalt,
Tot waar z’in ’t westen nederdaalt,
Zij ’s HEEREN Name lof gegeven.
De HEER’ is boven ’t heidendom;
Zijn heerlijkheid, bekend alom,
Is boven zon en maan verheven.
Vers 3
Wie is gelijk aan onzen HEER’,
Aan God, die, tot Zijn eeuwig’ eer,
Zijn troon gevest heeft in den hemel?
Die, daar Hij ’t wereldrond gebiedt,
Van Zijnen hogen zetel ziet
Op ’t laag en nietig aards gewemel?
Vers 4
Wie is aan onzen God gelijk,
Die armen opricht uit het slijk;
Nooddruftigen, van elk verstoten,
Goedgunstig opheft uit het stof,
En hen, verrijkt met eer en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgroten?
Vers 5
Wie roemt niet ’s HEEREN wond’re trouw,
Die mildelijk d’onvruchtb’re vrouw,
Op hare beê, een blijde moeder
Van liev’ en frisse telgen maakt,
En dus voor aller welzijn waakt?
Men loov’ den groten Albehoeder!