De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 122: Ik ben verblijd, wanneer men mij
Vers 1
Ik ben verblijd, wanneer men mij
Godvruchtig opwekt: „Zie wij staan
Gereed, om naar Gods huis te gaan.
Kom, ga met ons, en doe als wij.”
Jeruzalem, dat ik bemin;
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Jeruzalem is wel gebouwd,
Wel saamgevoegd: wie haar beschouwt,
Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.
Vers 2
De stammen, naar Gods Naam genoemd,
Gaan derwaarts op; waar elk zich buigt
Naar d’ark, die van Gods gunst getuigt,
Waar elk Zijn Naam belijdt en roemt;
Want d’achtb’re zetel van ’t gericht,
Is daar voor Davids huis gesticht,
De rechterstoelen staan daar binnen.
Bidt, met een algemene stem,
Om vrede voor Jeruzalem.
Het ga hun wel, die u beminnen.
Vers 3
Dat vreed’, en aangename rust,
En milde zegen u verblij’;
Dat welvaart in uw vesting zij,
In uw paleizen vreugd’ en lust.
Om vriend en broed’ren spreek ik nu:
„De vrede zij en blijv’ in u,
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken.
Om ’s HEEREN huis, in u gebouwd,
Waar onze God Zijn woning houdt,
Zal ik het goede voor u zoeken.”