De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 128: U mag men zalig heten
Vers 1
U mag men zalig heten,
Dien ’s HEEREN vrees bekoort;
Die, met een goed geweten,
Steeds wandelt naar Zijn woord.
Gij zult uw nooddruft vinden
Door d’arbeid van uw hand;
Wat g’u moogt onderwinden,
Komt naar uw wens tot stand.
Vers 2
Uw echtvriendin zal bloeien,
Gelijk een wijnstok tiert,
Die, vruchtrijk onder ’t groeien,
Uw huismuur dekt en siert.
Niets zal uw welvaart stuiten;
Uw kroost zal blij en fris,
Als groen’ olijvenspruiten,
Versieren uwen dis.
Vers 3
Dit lot is u beschoren,
Zo gij, met diep ontzag,
Naar ’s HEEREN wet blijft horen;
Voor u zal, dag aan dag,
Het heil uit Sion vloeien:
Gij zult, zolang gij leeft,
Jeruzalem zien bloeien,
’t Welk God Zijn zegen geeft.
Vers 4
Blijft gij op Hem betrouwen,
Dan zult gij, op uw beê
’t Kroost van uw kroost aanschouwen;
In Israël zij vreê.