De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 24: Al d’aard’ en alles wat zij geeft
Vers 1
Al d’aard’ en alles wat zij geeft,
Met al wat zich beweegt en leeft,
Zijn ’t wettig eigendom des HEEREN.
Hij heeft z’, in haren ochtendstond,
Op ongemeten zeên gegrond,
Doorsneden met rivier en meren.
Vers 2
Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor ’t oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.
Vers 3
Die zal, door ’s HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils ontvangen.
Dit ’s Jakob, dit is ’t vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
Vers 4
Verhoogt, o poorten, nu den boog!
Rijst, eeuwge deuren, rijst omhoog!
Opdat de Koning in moog’ rijden.
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
’t Is God, d’almachtig, Opperheer.
’t Is God, geweldig in het strijden.
Vers 5
Verhoogt, o poorten, nu den boog!
Rijst, eeuwge deuren, rijst omhoog!
Opdat g’uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
’t Is ’t Hoofd van ’s hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.