De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 129: Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan
Vers 1
Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan.
Zegg’ Isrel nu: men juichte, toen wij vielen.
Men heeft mij reeds van jongs af leed gedaan;
Geen overmacht kon m’echter ooit vernielen.
Vers 2
Men heeft mijn rug door ploegers diep geploegd,
Die hebben wreed hun voren lang getogen,
En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd,
Voor ’t kermen doof, en wars van mededogen.
Vers 3
De HEER’, die goed, doch ook rechtvaardig is,
Hieuw gunstig af der goddelozen touwen.
Dat smaad hen treff’, en dat hun aanslag miss’;
Drijf hen terug, die Sion rampen brouwen.
Vers 4
Maak hen gelijk aan ’t lichtverdorrend gras,
Dat hier en ginds gezien wordt op de daken;
Dat, eer men ’t plukt, alree verwelkerd was,
Ontbloot van grond om wortels in te maken.
Vers 5
Maak z’als dat gras, waarmee de maaier nooit,
Wanneer hij gaart, de nijv’re hand zal vullen;
Dat in den oogst geen garvenbinders ooit,
Bijeen gepakt, in d’armen dragen zullen.
Vers 6
Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar
Ooit zeggen zal: „God will’ uw oogst vermeren,
Dat ’s HEEREN gunst zich met uw arbeid paar’;
Wij zegenen u in den Naam des HEEREN.”