De Psalmen
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
Psalm 23: De God des heils wil mij ten Herder wezen
Vers 1
De God des heils wil mij ten Herder wezen.
’k Heb geen gebrek, ’k heb geen gevaar te vrezen.
Hij zal mij zacht, in liefelijke weiden,
Aan d’oevers van zeer stille waat’ren leiden.
Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn Naam, mijn treden
In ’t effen spoor van Zijn gerechtigheden.
Vers 2
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist’re dalen,
In doodsgevaar bekommerd om moest dwalen.
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,
De tafel aan, voor mijner haat’ren ogen.
Vers 3
Gij zalft mijn hoofd, Gij doet mijn blijdschap groeien,
En van Uw heil mijn beker overvloeien,
Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven,
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven.
Zodat ik in het heilig huis des HEEREN,
Een lange reeks van dagen, blijf verkeren.